Vrienden  zijn  als  bomen

Vrienden  zijn  als  bomen

Ze  wachten  tot  je  nog  eens  langs  komt- 

en  ze  zijn  onverstoorbaar  als  je  wegblijft

Ook  na  maanden  afwezigheid k un  je  de  draad  weer  opnemen- 

omdat  er  ondertussn  niets  werd afgebroken .

Vrienden  zijn  als  bomen  op  goede  afstand  van  elkaar  geplant.

ze  kennen  ook  geen  afgunst,  maar  nodigen   wel  elkaar  uit  hoger  te  groeien

Vrienden  zijn  als  bomen, ze  buigen  niet  maar  wuiven......

Wordt  als het water

        Er is in de wereld niets dat gelijk is aan water 

        In inschikkelijkheid en zachtheid, 

        En toch behaalt het met gemak de overwinning 

        Op het harde en onbuigzame. 

        Juist door wat het niet is slaagt het daarin 

        Met het grootste gemak

        De eigenschappen van water

                Kracht _Lichtheid_Zachtheid_Bestendigheid_Uit houdingsvermogen 

 

Winterstilte

          De grond is wit, de nevel wit,

      De wolken waar nog sneeuw in zit,

       Zijn wit, dat zacht vergrijzelt,

      Het fijngetakt geboomte zit

      met witten rijp beijzeld.

      De wind houdt zich behoedzaam stil,

      Dat niet het minste takgetril

      'tKristallen kunstwerk breke,

      De klank zelfs van mijn schreden wil

      Zich in de sneeuw versteken.

      De  grond is wit, de nevel wit,

      Wat zwijgend toverland is dit?

      Wat hemel loop ik onder?

      Ik vouw de handen en aanbid

      Dit grootschse, stille wonder.

                                                                        Jacqueline van der Waals

                                                                             {1868-1922}

Winterstilte

Een witte spree ligt overal gespreid op 's werelds akker;

Geen mens en is, men zegge zou, geen levend herte wakker.

Het vogelvolk,verlegen en verlaten in de takken  des perebooms

te piepen hangt,daar niets en is te pakken!

't Is even stille en stom ,alhier aldaar; en ondertussen,

en hoore ik maar het kreunen meer,

en 't kriepen van de mussen!

Wem kan segla?

                Wem kan segla fór utan wind. Wem kan ro utan âror? 

                Wem kan skiljas frân wennen sin ,utan att fälla târor? 

                Jag kan segla för utan wind, jag kan ro utan âror, 

                Men ej skiljas frân vännen min, utan att fälla târor.

5 Januari  1897

 

De kobbe

        Vrouw kobbe zat weleer ,eens voorjaarsmorgens vroeg,

        dat 't koolzaad blommen droeg,

        gedoken in heur holleken,zoo stille,of waar'ze dood;

        een bolleken.,geen errewete groot;

        maar waken deed ze wel vrouw kobbe is slim genoeg!

        Heur nette spande ze alom, van onbermhertig fijn.

        onzichtbaar schier satijn, gesponnen zonder spinnewiel,

        nen koolzaadtop omtent:

        daarinne viel,och arme, een bietje blend!

        Och bietje, bietje,vlucht, of u 't zal leed gaan zijn!

        Vrouw kobbe;op heur bureel, verwittigd al te wel, 

        per spreekdraad even snel, komt kijken uit heur holleken,

        Verrezen van de dood,is 't bolleken,gebekt nu en gepoot!

        Het bietje beeft,het valt aan ;t vechten voor zijn vel.

        Ach arrem ,'t wendt zijn 'hals en zijnen kop ,   

        zijn vlerken in het strop, zijn beentjes en zijn billekes.....

        't zijn gerenvluchten, maar ,al stillekes 't vernestelt altegaar;

        terwijl vrouw kobbe komt geschreên er bovenop!

 

Strooi uit mijn as naar alle winden .

Dat wat mijn lichaam was de weg kan vinden

Naar alles wat het eens beminde

Naar wolk en zee, en zich daarmee verbinde.!

 

God  grant  me  the  serenity  to  exept  the  things  y  cannot  change,

courage  to  change  the  things  y  can,

wisdom  to  know  the  difference

 

Meidag

De kerzelaar zijn trouwgewaad heeft aan gedaan;

vandage moet hij, meidag is 't, ter bruiloft gaan.

Elk taksken is een priem, die,bewonden wit,

tot tenden, in een witte schee van blommen zit,

Beruwrijmd, was hij schoon, wanneer de winter woei;

veel duizendmaal is schoonder nu zijn blomgebloei.

Te winter was zijn schoonheid als een beeltenis

des levens;koud en ijdel, zoo de schaduw is.

Geen schaduwbeeld en is hij nu,geen schijn,

maar al dat schoon is, al dat levende,

en dat liefgetal,

't Is bruiloft , en 't is zonneweer, de zomermeid

den bruidegom verwacht die haar was toegezeid.

1 Mei 1895

 

MARIS  STELLA

Sous les coiffes de lin , toutes,croisant leurs bras,

Vetues de laine rude ou de mince percale,

Les femmes à genoux sur le roc de la cale,

Regardent l'Ocean blanchir l'île de Batz.

Les hommes,pères,fils, maris,amants, bas

Avec ceux de Paimpol,Audierne et de Cancale.

Vers le Nord sont partis pour la lointaine escale,

Que de hardis pêcheurs qui ne reviendront pas!

Par-dessus la rumeur de la mer et des côtes

Le chant plaintief s'elève,invoquant à voix hautes.

l'Etoile sainte ,espoir des marins en peril.

Et l'Angelus, courbant tous ces fronts noirs de hâle,

Des clochers de Roscoff a ceux de Sybiril,

S'envole, tinte et meurt dans le ciel rose et pâle.

Jose- Maria de Heredia

 

Lijmen

Ik had drie beestjes,drie beestjes van steen.

Een vogeltje,een veulentje,een varkentje.

Ze zijn gevallen,ze braken stuk,

Ik heb ze gelijmd,'t is bijna gelukt.

Ik heb drie beestjes, drie beestjes van steen,

Een volentje, een veukentje, een vargeltje!

                                   

Wil je met me?

Wil je met me naar toejeweetwel? toe je weet wel!

Wil je met me naar toejeweetwelwaar?

Ja ik wil met jou,naar hoeheethet,naar hoeheethet,

Ja ik wil met jou,naar hoeheethetnou!

Gaan we samen in de dinges,en de weetnietmeerzovlug,

Even naar de komwatwashet?en dan weer naar huis terug!!!!

                                                     Gedichtjes van Joke  van Leeuwen

                                Groeten Janny

Ik zit me voor het vensterglas

Onnoemelijk te vervelen

Ik wou dat ik twee hondjes was,

Dan kon ik samen spelen

 

Het schrijverke

O krinklende winklende waterding, met 't zwarte kabotseken aan,

Wat zien ik toch geren  uw kopke flink al schrijven op 't waterke gaan !

Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel, al zie 'k u noch arrem noch been;

Gij wendt en gij weet uwen weg zoo wel,al zie 'k u geen ooge geen een.

Wat waart , of wat zijt , of wat zult gij zijn,  Verklaar het en zeg het mij, toe!

Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,dat nimmer van schrijven zijt moe?

Gij loopt  over 't spegelend water klaar,en 't water niet meer en verroert

Dan of het een gladdige windje waart,dat stille over 't waterke voert.

O schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, met twintigen zijt gij en meer,

En is er geen een die mij zeggen kan; wat schrijft en wat schrijft gij zoo zeer?

Gij schrijft, en 't en staat in het water niet, gij schrijft en 't is uit en 't is weg ;

Geen christen en weet er wat dat bediedt; och schrijverke , zeg het mij zeg!

Zijn't visselkes daar ge van schrijven moet? Zijn't kruidekes, daar ge van schrijft?

Zijn 't keikes of bladjes of blomkes zoet, of 't water waarop gij drijft?

Zijn't vogelkes, kwietlende klachtgepiep, of is et het blauwe gewelf?

Dat onder en boven u blinkt zoo diep, of is het u schrijverke zelf?

En 't krinklende winklende waterding, met 't zwarte kapoteken aan,

Het stelde en rechtte zijn oorkens flink, en 't bleef daar een stondeke staan.

'Wij schrijven, zo sprak het,' al krinkelend af hetgene onze meester weleer,

Ons makend ,en leerend te schrijven gaf, één lesse,niet min noch te meer;

Wij schrijven en kunt gij die lesse toch ,niet lezen en zijt gij zoo bot?

Wij schrijven, herschrijven en schrijven nóg, den heilige Name van Go   

                1857

Herinnering aan Holland.

Denkend aan Holland zie ik brede rivieren traag door oneindig laagland gaan.

Rijen ondenkbaar ijle populieren als hoge pluimen  aan de einder staan.

En in de geweldige ruimte verzonken, de boerderijen verspreid door het land,

Boomgroepen,dorpen,geknotte torens ,kerken en olmen  in groots verband.

De lucht hangt er laag en de zon wordt er langzaam in grijze veelkleurige dampen gesmoord

En in alle gewesten wordt de stem van het water met zijn eeuwigr rampen

Gevreesd en gehoord.

H Marsman

Generaties

Jonge mensen protesteren;

Roepen:”t’Is een treurig zootje

Ën al ben ik niet meer zo jong,

Ik zit toch in hetzelfde bootje

Zij verwijten deze wereld

Een geweldig aantal floppen.

t Klopt,want in mijn jonge jaren

was ie ook al naar de knoppen.

 

Gedachten

Vlugger als de wind die vliegt,en de losse boomen wiegt, gaan mijn kind gedachten.

Dieper als ons ooge 'n  kan, peilen in 't wijde uitgespan, peilen,kind, gedachten;

Hooger als de sterren  staan,in de glimmende hemelbaan, staan mijn kind gedachten;

Wijder als dat wijde wak,uitgestrekte watervlak,strekken kind gedachten.

Guido Gezelle

 

Gebed van een kloosterlinge omstreeks  1600

Heer Gij weet beter dan ikzelf dat ik ouder word en misschien ooit oud zal zijn

Maak dan dat ik niet praatziek word en niet in de fatale gewoonte verval  te denken

dat ik bij elke gelegenheid en over elk onderwerp iets moet zeggen.

Bevrijd mij van het verlangen ieders moeilijkheden te willen oplossen.

Houd mijn geest vrij van de verleiding om eindeloos details te vertellen.

Geef mij vleugels om snel tot de kern van de zaak te komen.

Verleen mij de welwillendheid om te kunnen luisteren naar verhalen overandermans kwalen,

Help mij ze met geduld te verdragen, maar verzegel mijn lippen als ik  over mijn eigen kwalen en

pijnen blijf zeuren.Zij worden steeds erger en het genoegen dat het mij schenkt ze allemaal op te

sommen, neemt toe met de jaren.

Leer mij de glorieuze les dat het een enkele maal mogelijk zal zijn,dat ik mij vergis.

Maak dat ik in redelijke mate vriendelijk blijf,

IK wil geen heilige zijn- sommige van hen zijn zo moeilijk om mee te leven- maar een verzuurde

oude vrouw  is een van de meesterstukjes van de duivel,

Laat mij wijs zijn , maar niet bazig .

dit had voor mij geschreven kunnen zijn !!!

 

Dit is het land

Dit is het land waar grote mensen wonen,
Je hoeft er nog niet in het is er boos
Er zij geen feeën meer er zijn hormonen
En altijd is er weer wat anders loos.

En in dit land zijn avonturen
Hetzelfde van een man en van een vrouw
En achter elke muur zijn anndere muren
En nooit een eenhoorn of een bietebauw.


En alle dingen hebben hier twee kanten
En alle teddyberen die zijn dood.
En boze stukken staan in boze kranten
En dat doen boze mannen voor hun brood.


Een bos is hier alleen maar een boel bomen
En de soldaten zijn niet meer van tin
Dit is het land waar grote mensen wonen
Wees maar niet bang, je hoeft er nog niet in.

Annie M.G. Smidt

 

Der Gesang des Meeres

Wolken ,meine Kinder, wandern gehen wollt ihr?

Fahret wohl! Auf wiedersehen.

Eure wanderlustigen Gestalten

Kann ich nicht in Mutterbanden halten

Ihr langweilet euch auf meinen Wogen

Dort die Erde hat euch angezogen.

Kústen, Klippen und des Leuchtturms Feuer!

Ziehet, Kinder! Geht auf Abenteuer.

Segelt, kühne Schiffer, in den Lüften!

Sucht die Gipfel! Ruhet überKlüften!

Brauet Stürme! Blitzet! Liefert Schlachten!

Traget glü'nden Purpurtrachten!

Braust in Strömen durch die Lande nieder!

Kommet meine Kinder, kommet wieder!

Conrad  Ferdinand  Meijer.   Eindexamen Duits  1940

 

De Stilte

De  stilte  oordeelt  niet ,zij  stelt  geen  vragen

In  haar  zijn  geen  verlangens

Zij  kent  geen  dwang .

De  stilte  vraagt  niet ,zij  stelt  geen  doel ,

In  haar  is  geen  morgen  zij  kent  geen  wil .

De  stilte  heeft  geen  oorzaak  zij  kent  geen  angst .

In  haar is  geen  verleden  zij  stelt  geen  eisen .

De  stilte  is  niet  van  mij ,zij  kent  geen  bezit ,

In  haar  zijn  geen  zorgen ,In  ieders  hart  ligt  zij  verborgen .

 

De averulle en de blomme

Daar zat ne keer een averulle en lekte met nen zom,zom, zom,

den dauw van op de blaren,die klaar bedreupeld waren

lijk met nen dreupel ,rom,rom,rom.

Wanneer zij fraai gedronken had,zoo vloog zij scheef en krom',rom, rom,,

al neuzlen en half dronken, tot waar de kleêrkens blonken,

van eene schone blom, lom, lom.

De bloome die ze komen zag.en viel niet al te dom,

maar riep zoo loos van zinnen;

Hei Kobbe kom mij spinnen,een kobbenet rond om ,

om ,om .

En kobbe die was seffens g'reed en steld' heur pootjes krom, rom,rom;

zij spon heur looze netten, om heur daar in te zetten,

en zat daar stille en stom , tom ,tom.

En als de rulle kwam nabij geflodderd, krom en slom  , lom, lom,

zoo is ze in ;t net gevlogen, en deerlijk uitgezogen,

ofschoon zij jankte; zom ,zom zom!

Die loze blomme loech ermeê, die looze booze blom,lom ,lom,

eilaas zoo menig jonkher,wordt uitgezogen pronker,

om eene schone blom, dom! dom!!

1855

( averulle= meikever} { kobbe = spin }

 

Daffodils

I wandered lonly as a cloud,that floats on high o'ver vales and hills,

When all at once I saw a cloud, a host of golden daffodils;

Beside the lake , beneath the trees, fluttering and dancing in the breeze.

Continuous as the stars that shine, and twinkle on the milky way,

They stretched in never-ending line along the marging of a bay;

Ten thousand saw I at a glance,tossing their heads in sprightly dance.

The waves beside them danced, but they outdid the sparkling waves in glee

A poet could not but be gay,in such a jocund company

I gazed and gazed,but little thought, wat wealth the show to me had brought

For oft, when on my couch I lie in vacant or in pensive mood,

They flash upon that inward eye which is the bliss of solitude

And then my heart with pleasure fills, and dances with the daffodils.

William Wordsworth    { 1770-1850}

 

Count your garden

Count your garden by the flowers,

Never  by the leaves that fall.

Count your days by golden hours,

Don’t remember clouds at all.

Count your age by friends , not years!

 

Boerke Naas

Wie heeft er ooit het lied gehoord,het lied van Boerke Naas?

"t En ha,"is waar geen leeuwenhert,

maar toch,"t en was niet  dwaas.

Boer Naas die was twee runderen gaan verkoopen naar de steê

en bracht , als hij naar huis toe kwam, zeshonderd franken mee.

Boer Naas, die maar een boer en was,

nochthans was scherp van zin,    hij ging en kocht een zevenschot

en stak daar kogels in.

Alzoo kwam Naas, met stapkens licht, en met de beurze zwaar;

hij zei: Och 'k wilde de dat  ik thuis en in mijn bedde waar!

Al met nen keer

wat hoort   boer Naas,juist bacht hem in den tronk?

Daar roert entwat, daar loert entwat, 't docht Naasken dat 't verzonk!

En, eer  dat 't ventjen asem kreeg, zoodanig was 'tontsteld,

daar grijpenNaas twee vuisten vast,en  't ligt daar neergeveld.

't En hoorde noch 't en zag bijkans,'t en voelde  bijkans niet,

't en zij dat 't een pistole zag'en zeggen hoordddde: ...".Ik schiet"'

Ik schiet, zoo gij, op staanden voet, niet al uw geld en geeft

en g' hebt, van zoo gij roert, me man ,uw laatsten dag geleefd!

Boer Naas, die alle dagen vijf -zes kruisgebeden bad ,

om lang te mogen leven, peist hoe hij in nesten zat!

Wat zal ze zeggen, kreesch boer Naas,wanneer ik huiswaarts keer?

Hij heeft het weerom al verbuisd! die zatlap, nog nen keer!

Hoor hier mijn vriend., believe 't u toogt dat gij mij minzaam zijt

och ,schiet ne kogel deur mijn hoed, en spaart mij  't vrouwverwijt

'k Zal zeggen,als ik thuisgeraak; men heeft mijn geld geroofd

en.. , letter schildet 't of ik had nen kogel deeur mijn hoofd.

De dief,die meer van kluiten hield als van boer Naas zijn bloed

schoot rap ne kogel deur en deur de kobbe van z'nen hoed

Bedankt, zei Naas, en greep  zijn slep;schiet nog een deur mijn kleed

De dief  legtaan en Naasken houdt zijn pitelerken g'reed

Schiet nog een deur mijn broek, zee Naas 't toen peist me wijf voorwaar

als dat ik bij mirakel ben  ontsnapt aan 't lijfsgevaar!

De rover zegt nu zal  't wel gaan , waar is uw beurze ..snel!

'k en hebbe tijd noch kogels meer 'IK wel zee Naas Ik wel  !

 

Will you be careful?

I know you've only gone shopping just around the corner ,

and aren't dressed for a long yourney

Your kiss is light, your glance at peace,

and peaceful are your hand and foot.

But behind this door, a continent,

After this moment an ocean of time.

Will you be careful?

{ And wait for us?}