De koning kwam


Niet dat we onze laatste koning ooit van aangezicht tot aangezicht hebben aanschouwd. Toch kunnen we ons levendig de beroering voorstellen, toen eens lang geleden door ons landje bezuiden de Schelde gevaren op het bericht:
,,De koning komt!”


Hoe wij in onze tijd vol van nuchtere denkbeelden ook vergelijken gaan met dingen van weleer, nog is de bekoring daar  van wat ons eens als verering en ontzag door het jonge gemoed ging. Dat minder gemakkelijk definieerbare, toen we het vlaggelied hadden geleerd te zingen: ,,O, zoon van Nêêrland kent ge mijne kleuren,” of wel: ,,De koning leev?” Het was de tijd nog, dat in de avond van ‘s vorsten verjaardag de brandende teerton het enige vuurwerk was op ons dorp, behalve dat enkele armzailge voetzoekers ploften.

En eens hadden wij, jongens, het zover gebracht, dat we een oud pistool to pakken kregen, een zware roestige voorlader, met welks barre schoten we de stille, schaars verlichte Dorpstraat deden daveren, trekkend van de Kijkuit naar het sinds lang verdwenen Hotel van Alphen aan bet andere einde. Daar op ,,de beurs” stond dan nog een troepje mannen en klonk uit het donker een zware stem op, ons hulde brengend: ,,Jongens, bedankt voor jullie saluutschoten hoor!”

 
Hoe heerlijk eenvoudig lijken de dingen van toen bij die van nu.


Later bemachtigden wij een stuk van een oude musket- loop, vijlden en prutsten er aan en probeerden het ding met een flinke lading zwart kruit en een lont. Wij op veilge afstand. Wat maar goed was, want blj de ontbranding vloog ons ,,stuk” even een veertig meters achteruit. Het was dus geraden bet stevig op een houten blok te bevestigen. En toen hadden wij knallen, die als een donder over de huizen rolden. Het was nu eenmaal ,,koningsverjaardag”.

Lang tevoren, in Mei 1862 is bet geweest, dat koning Willem de Derde ons landje zou bezoeken. Zijne Majesteit zou per statiesloep bet Hoofdplaatse haventje binnen stevenen, waar aan de kaaimuur onder de gebruikelijke erepoort, evenwel op een minder praktiese plaats, de staatsietrap was aangebracht.


Met een flinke vaart joeg de koninklijke sloep door stevige matrozen geroeid de haven in. Met een snelle wending werd beproefd aan de trap aan te leggen, doch door de geringe breedte van het vaarwater mislukte de manoeuvre. Daarop werd getracht over de andere havenzijde naar de trap te koersen. Hierbij moest zo dicht langs de havendam gehouden worden,zodat de roeiriemen in de slag de stenen glooing raakten en één zelfs het blad versplinterde. Nogmaals stond men voor een mislukking.

 
Intussen was door bet inmiddels gerezen water bet de vorst mogelijk geworden een eindweegs verder haveninwaarts op de kaaiinuur te stappen, terwiji de losbarstende jubel zich als een bezwerende macht over bet pijnlijke incident legde.


Zijne Majesteit ,,nam” het geval glimlachend op. Maar de erepoort boven de staatsietrap als overmand door scbaamte en teleurstelling kwam plotsehng ult haar lood en zeeg in een dwaze zwaai langzaam neer om als een onschone treurwilg een paar meter boven de kaaimuur te blijven hangen. Gelukkigerwijs waren weinigen nog getuige van deze vrij noodlottige gebeurtenis, want enkele seconden tevoren was Zijne Majesteit vertrokken omstuwd door een juichende menigte.


Een erewacht van boerenzoons te paard zou de vorst tot IJzendijke begeleiden. Het door een dubbel span felle paarden getrokken rijtuig snorde weg in snelle vaart.
Door een stile streek voerde de tocbt, nu al wat benen had scheldewaarts getogen was. De velden lagen verlaten als op Zondag. Een uitzondening maakte een in aanbouw zijnde boerenwoning, die klaarblijkelljk na luttele dagen onder de pannen moest. Op hun hoge stelling waren twee bouwers ijverig bezig.
Toch had de troffel reeds vaak even gerust, als de lieden met nieuwsgienige bilk de weg afspeurden. Eindelijk vernied een stofwolk in de verte de nadering van het koninklijke escorte.

,.Zeg Jacob,” zei een der werkleden: ,,as de konienk noe is ier stel je voo om te zien oe wudder ier bouwen?”
En de ander antwoordde: ,,Kweste of tie ons dan nie na Den Aagt zou nodigen om voor em te werken”.
,,Een mooie paleisbouwer jlj. Maar oe zou je de konienk anspreken?”
.,Mee Sire vanzelf. En ik zou em behoorlijk de schoenen vegen”.
,,Zou je durven”.
,,Van eigen. En nog wet mee de butenkant van me pette”.
,,Wonder of het dan nog ook een alf pintje zou geven?”
,,Of anders sjampanje! Wan ze zeggen, dat ie belange nie karig Is”.
Doch onwetend van de wijze waarop hij deze nijvere Ileden gelukkig zou kunnen maken snorde Z.M. voorbij.
,,Zag jem goed?”
,,Nou! le groetten nog is een bitje netjes terug, as we onze petten afnamen. Een brave konienk! En wat een schoone felle pèrren voo z’n koetse. En wat een goud
adden al die andere kèrels an”.
,,Tie bluuf mao één nachtje in Izendieke”.
,,Dâ’s te zeggen; as ze z’n schoenen nie wegsteken morgenochtend”.


Het werd intussen een zware nit voor het landelijke escorte. Maar de ruiters gaven geen krimp en galoppeerden verbeten mede in de vereiste formatie. Zijne Majesteit scheen behagen te hebben in de flinke kerels. Wellicht zag hij de felle rit als een soort wedstrijd.
In suizende vaart ging bet voorwaarts, totdat . . . nabij IJzendijke bet vorstelljk rijtuig een heetloper kreeg. Uit een der wielpotten sloegen vlammen. Vaart moest verminderd worden. Het eindpunt was trouwens nabij.


En de ruiters? Bestoven, bezweet, met de wijde witte broeken door de wrijving langs de natte paardenflanken opgeschoven tot boven de blote knieën, hadden zij aardig schik in hun succesvolle rit. Ze hadden zich niet laten kloppen!
En Zijne Majesteit? Lachend zei hij: ,,Nu, rijden kunnen de kerels. Dat is zeker!”


Rest nog een bijkomende gebeurtenis te verhalen.
Voor een lid van ‘s konings gevolg, de heer C. ten

Brummeler, eindigde dit bezoek in een idylle. Bij de voorstelling der IJzendijkse notabelen aan Z.M. maakte bedoelde heer vluchtig kennis met de beminnellike dochter van een dezer ingezetenen, mejuffrouw Charlotte Benteijn. Het werd een liefde op het eerste gezicht, met het charmante gevolg, dat beiden zich spoedig met elkander verloofden.


Op 18 met 1866 werd hun huwelijk ingezegend te IJzenclijke en verliet de om haar beminnelijk karakter algemeen geachte Charlotte haar woonplaats als mevrouw ten Brummeler.