”P I E T”
Nog heel jong, moest Piet er al op uit met de mand vol sinaasappels. En zwaar was die mand, als Piet er de deur mee uitstapte om de kopers met kracht van rede te overtuigen van de fijne kwaliteit van zijn waar. ,,Spul”, volgens Piet. ,,Eigenlijk te mooi en te sappig om tien ervan te geven voor een kwartje !“
,,Dan niet doen, jong”, hield ik hem soms voor. Doch het aanbod gold slechts voor mij persoonhijk, naar hij mij zeide, ,,omdat ik het was Maar ik verdacht Piet er sterk van, dat hij anderen eveneens dergelijk verleidelijk aanbod deed, ,,omdat zij het dan waren”.
Zo kreeg Piet’s jonge lichaam, dat scheef hing als tegenwicht van de zware vracht ter anderer zijde, allengs verlichting. De haven was Piet’s beste operatieterrein, want ook schippers en visserlui hielden van een sappige beet. Soms tikte hij ook een handjevol dampende garnalen, “ juust uit de pot”, op de kop. Dan stond de mand verlokkende zuidvruchten aan dek, in het gangboord van een tjalk of hoger op de ,,gording”; doch veilig. Dat niemand zonder toestemming van de jeugdige koopman een appel nemen zou, was de ongeschreven wet van de haven.
Was schrijver eens niet afnemer, dan steeg soms het aanbod tot elf voor een kwartje. Dan toonde ik Piet het laadje, waarin nog exemplaren aanwezig waren van zijn vorige leverantie. Maar ja, bij zijn vertrek was zijn last toch weer het gewicht van 11 ,,appelsienen” lichter.
Een echte snaak was Piet, die door zijn rappe gezegden, niet van humor ontbloot op zijn 10- tot 12-jarige makkers en dat waren er vele indruk wist te maken.
Hij wist, dat ik nogal van jagen hield. Meermalen als er een eend in de haven neergestreken was of een zeehond kwam er onverwachts opgedoken kwam Piet mij in de looppas waarschuwen. Eens, toen ik door veel kantoorwerk geen minuut te verliezen had, kondigde plotseling het naderend geratel van vele klompen dergelijke tijding aan. Piet bleek aan het hoof d te staan van het aanzienlijk aantal boodschappers.
De kantoordeur stond aan, doch ik hield me stil op de eerste aankondiging dat
”er een boele in de kaoie was”. Piet bezwoer echter, sprekend door de kier van de deur en zonder mu te zien, dat het jachtgeweer spreken zou. Ik verkneukelde mij in die jongens. De waarde van de binnen te halen jachtbuit steeg met de seconde tot fabelachtige hoogte,want: ”tis een boele, a gauw zo zwaar as een ganze van Freek”. Gelach van Piet’s toehoorders buiten de deur steeg op.
,,Toe, Commissaris” zo werd destijds iemand van mijn functie genoemd
,,‘t is een boele zo zwaar as een zesweeks viggen”.
Klaterend gelach, hetwelk Piet klaarblijkelijk aanvuurde.
,,Sie, dao kommen d’r nogâ, een ééle kooie boelen”. Grote pret....
,,Toe, Commissaris, waar is je geweer? Een êêle koole vriesganzen”. Gelach....
,,En een kooie zwanen”. Eelvee geschater....
,,En.... een kooie gospiepers ”
Het daverende lachen nam slechts een einde, toen ik naar buiten trad en de heren lachend dankte voor de belangstelling en mijn spijt uitdrukte vanwege de gospiepers, nu ik verhinderd was.
‘t Werd kermis. Op de dijk verrees een langwerpig gebouw met in reusachtige letters erop: ,,Theater Metamorph........”. Klaarblijkelijk had men, geen geweldige toeloop van bezoekers verwachtend. ,,OSE” maar in de kist gelaten en het geval slechts gedeeltelijk opgezet. Op de plaats waar de ,,link” dus ,,missing” was, hing het tentzeil er zo’s beetje bij tegen een zware dwarsbalk. En op die dwarsbalk bij de eerste voorstelling stond Piet! Hij had schellinkje genomen. Aan zijn voeten stonden langs de wegkant zijn minder kapitaalkrachtige kameraden, die het kwartje voor de vierde rang niet hadden kunnen bijbrengen. En toch genoten zij op hun wijze van het gebodene. Want ze gaapten Piet, die zowel naar binnen als naar buiten alles waarnam, de woorden uit de mond. Dan hield Piet het tentzeil weg en gaf op zijn manier van elk nummer der spullemannen explicatie aan zijn vrienden buiten. Telkens steeg dan een klaterend gelach op. De uitbundigheid deed binnentents ietwat afbreuk aan het gebodene op het toneel, zodat een fraai gegalonneerde spulleman naar het MORPH-uiteinde stoof en de jongens wegjoeg. Piet had, het gevaar aanvoelende, het tentzeil weer voorgerukt. Door een kier kwam echter c,cn ongensarm uitgesehoten om weer fluks achter het zeil te verdwijnen. Maar de lraaie steek van de geuniformeerde rolde over de weg. Wilde juichkreten sloegen los.
Toen de spulleman razend van woede weer de tent binnenstoof om zijn belager af te straffen, floepte aan de missinglink een lenig jongenslichaam naar buiten.
‘t Was Piet. Onder een moordend vreugdegehuil van zijn kameraden werd hij ontvangen.
Wij, nabij het toneel gezeten, hadden, relatief bezien, minder plezier van ons entreegeld beleefd dan Piet van zijn kwartje. Niet altijd verliepen de dingen voor Piet zo gunstig. Wie de maker van het puntdicht op de onderwijzers was, weet ik niet.
Wel meen ik, dat onze vriend zijn dichtkunst erop losgelaten had. Het resultaat paste precies op de wijze van ,,Wie in Januari jarig is, sta op”. En uit volle borst werd het voor schooltijd onder bijval der medescholieren ten beste gegeven.
Maar o.... ! Meester was dichter in de buurt geweest, dan Piet wel vermoedde.
Het schooluur sloeg. Het ruime schoolgebouw zoog de aanzienlijke troep leerlustigen van de straat. Tot grote verrassing van allen in het lokaal waar Piet zat gaf meester in plaats van aardrijkskunde de order uit: ,,zingen !“ Nog vreemder werd het, toen meester het lied ten gehore wenste gebracht, dat hij zo juist op straat had beluisterd.... !?
Daar zat Piet!! En daar zat de hele schuldige klas, bijna aan ontzetting ten prooi.
Glimlachend drong meester aan. Piet keek in hulpeloosheid rond dan weer voor zich. lets als radeloosheid lag over de klas.
En had meester daar nu zelf schik in? Hoe zat dat nou? Want weer drong hij aan, nog steeds glimlachend, evenwel gebiedend.
Piet moest voor de klas komen. Meester telde een maat voor, hief de hand ,,nu.’!
En Piet viel In. Allengs forser klonk het uit zijn mond:
,,De school dat is een apekooi, hoezee”
,,De kleintjes zitten twee aan twee, hoezee “
,,De grootste aap staat voor de klas”
,,Geeft de kleintjes op hun ribbekas”
,,Hoezee, hoezee, hoezee-hoezee, hoezee ”
De laatste hoezee’s gingen verloren onder het losbarstende gejoel. Meester zeif had de grootste pret. Hij had zljn klantjes volkomen door.
En.... nooit heeft het lied meer over de straat geklonken.
Piet werd ouder. De appelsienen had hij al lang vaarwel gezegd. Hij ging de baan op als commissionair in vee, handelde later zelfstandig in paarden, deshalve kwam hij vaak op mijn kantoor kwam om zijn viervoeters aan te geven voor vervoer. Dan vroeg hij met een zijdelings gebaar naar de klerk, destijds een piepjong kereltje of hij deze een fooi geven mocht.
Ik antwoordde, dat een kwartje ten deze wel aardig zijn zou.
‘t Werd een gulden, daar de klerk volgens Piet ,,ook zijn kinderen moest kunnen kweken”.
Piet had nu eenmaal een goed hart ,,onder de ruwe bolster”, om een ietwat versleten terminologie te bezigen.
‘t Werd oorlog....
Breskens zuchtte mede onder de bezetting.
Een buurmannetje van Piet, verdacht van ondergronds werk, had een hoop spullen in huis die niet mochten gezien worden vooral niet door de Grüne Polizei.
En juist deze waren op pad naar het buurmannetje zoals een ijibode buiten adem kwam boodschappen.
Wat te doen? Er zat niets anders op dan de hele santekraam zo viug mogelijk weg te stoppen in het huis van Piet.
De groenen verschenen vonden niets maar wilden ook wel eens een kijkje nemen in Piet’s woning. Echter werden zij daar met een trommelvuur van vloeken ontvangen. Hen aanziende met ogen als pistolen informeerde Piet op zijn speciale manier of de heren mogelijkerwijs ,,van hun bedonder af waren”.
Aan zijn loyaliteit twijfelen hoe bestond het!!! ? Hij zou daar wel eens eventjes met hun bazen over willen praten. Volgde weer een ratelende reeks van krachttermen.
Na zulk een volle laag leek het de lomperds bet beste maar om af te houden.
Piet’s psychologisch overwicht werd behoorlijk aangevoeld.
Aldus was het gevaar voor buurmannetje bezworen en voor Piet. Zo een beetje op het kantje af smaakt een zege toch maar het best.
11 September 1944.
Breskens dreunde door het ontzettende bombardement.
Sidderend schrompelde het ineen.
Onder de talrijke doden was ook Piet.
Op het haventerrein troepte het vluchtende Herrenvolk te samen, tot op het laatst alle paarden requirerend. Niets ontziend was Piet er heen getrokken. Misschien kon hij er van zijn dieren nog een paar verdonkeremanen.
Een bom doodde hem.
Te midden van zijn paarden.
—0—