Polderwerkers
Nog zie ik ze komen, de kranige kerels met hun zwierige gang als die van zeelui. Over hun schouders bengelen aan de blank geslepen koevoet de hoge laarzen naast de door moeder zo properties gewassen plunjezak.
Over het Keipad, naderend uit de richting Nieuwesluis, begroetten zij met luidekreten hun kameraden, die aan de oostzijde van de Breskense haven opdoemden — de Hoof dplatenaars.
Samen met hen zouden ze er weer op ult trekken naar den vreemde. Ik, toenmaals nog een kleuter, werd vervuld met wezenlijk ontzag door hun forse zang, echoend over de kaai:
,,Hollandse jongens waar moet je naar toe”
,,Wel, wij moeten naar Duitsland toe !”
Voór de afvaart werd natuurlijk nog een biertje of borrel gevat en met dreunende stap verdween daartoe de drom in het Veerhuis, waar het lied eindigde na een rondgang om het biljart. Het ontzagwekkende bonzen der zware schoenen op de houten vloer deed de rijen glazen in het buffet rammelend protesteren.
‘t Was of ‘t hele huis er aan moest.
Wel een beetje bevreesd om dit geweld, loerde ik nochtans van de stoep naar binnen. Gingen al die grote sterke mannen Nederland verdedigen tegen een of andere vijand? Nu, die zou het dan toch wel eventjes kwaad krijgen.
Want dat zware blinkende ijzer op hun schouder was stellig een wapen. Toch.... ? Het bleek een platte punt te hebben, minder geschikt voor een doodsteek of zo iets. Doch het andere einde had een zware kop. Ha, stellig een ijzeren knots. En zouden ze onder hun zware kieren flu geen pistolen dragen, als waarvan oudere broers verteld hadden in felle verhalen over Indianen en zo? Nou, die daar in Duitsiand.... hm.... oppassen voor deze dappere kerels.
Later leerde ik de betekenis van dit alles. De koevoet bleek niet bestemd om mannen van de sokken te slaan. Neen , zware stenen zouden er mede losgewrongen worden. En met die lange laarzen aan zouden de mannen werken ala leeuwen, nog wel in modder en slijk. Ze zouden het plompaware heiblok, dat zich ala een onwillig varken scheen niet te willen laten ophalen, met bun krachtige handen omhoog trekken en met doff e slagen doen beuken op palen als bomen.
Ze zouden wiepen vlechten en tot zinkstukken vormen. En hun vijand? Dat was het machtige water. Door hen zou het getemd worden. Niet in het vaderland ditmaal, maar ver over de grens. Daarheen trokken de Keijmels, de Verduijns, de Cuveliers van Nieuwesluis en die van Hoof dplaat, met namen als Ritico, Maas en Zeegers en zoveel anderen.
Werken — op met de zon — zonder weet van een vrije zaterdagmiddag en zo.
En vlak bij hun harde arbeid lag de leut en klonk hun
,,Hei-ei-ei pak ze maar eens vast”,
,,Heb je geen zin in een poldergast ?“
,,Wij zijn jongens van het echte bloed”,
,,Polderjongens, houdt maar moed !“
Jaren later.... ‘t Was ook in Duitsland. Van een rivier leidde mijn weg stadwaarts. Plotseling, nabij een spoorwegstation, stond ik stil, getroffen door bekende tonen. Een troep rijzige mannen ging naar een trein, die op vertrekken stond. Waarachtig! ‘t Moesten weer van die werkers zijn uit ens verre Kadzandse Landje. De blinkende koevoet over de schouder en onder de zwierige flambards zag ik weer die vertrouwde gezichten, gegroefd door storm en felle zon. En als ik nog twijfelen mocht, dreunde het over het perron:
,,Hollandse jongens, waar moet je naar toe ?“
,,Wel, wij moeten naar Zeeland toe !“
Ze gingen dus op huis aan. Na de treinreis zou het oude, vertrouwde raderbootje van Vlissingen hen overvaren —
de oude ,,Zeelandia”, die sterke kleine schuit, die in geen jaren voor een storm in de haven was gebleven.
En thuis zouden ze voor moeder de vrouw een bonk mooi geld op tafel smakken. En dan werd het vertellen over het verre vreemde land.
De trein ratelde langs. Maar nog even ving mijn oor een vleug van een lied. ...:
,,Hollandse jongens, waar moet je naar toe ?“
,,Wij, wij moeten naar Bresjes toe
Verhaaltje uit Van Braakman tot Zwin, geschreven rond 1950 door Leen Bootgezel druk: Smoor & de Hulster
|