De geschiedenis van de Breskens visserij gaat zo'n honderd jaar terug.
De eerste Breskense visser werd in 1890 geregistreerd als de BR. 1. In die tijd werd gebruik gemaakt
zeilen (wind), roeiriemen (spierballen) en getij (eb en vloed) om zich voort te bewegen. Het was een hard bestaan en men was altijd
overgeleverd aan de kracht van de elementen en weerberichten bestonden ook nog niet
Een paar verhaaltjes uit die tijd kan men hier lezen.
Visschers van Heijst of Walvis voo de kaoije
Ook de manier waarop ze hun visnetten handmatig moesten breien is beschreven.
Nettenbrei Methoden
|
|
|
De Bressiaanse visser / schilder Jaap Albregtse (geb. 1914) heeft in zijn
schilderijen weten vast te leggen hoe het er in de tijd aan toe ging,
als klein jongetje van 10 jaar oud ging hij mee naar zee , op een hoogaars, met zijn grotere broers aan de roeiriemen, het was een tijd van hard werken en afzien.
Het lichte vistuig bestond uit 2 kleine boomkorren, die al zeilend werden voortgetrokken en handmatig boven water werden gehaald.
De vangst bestond voornamelijk uit garnalen, maar ook platvis werd wel meegevangen.
Een aantal van zijn bijzondere kunstwerken, moment opname's uit de visserij geschiedenis, zijn te zien in het museum.
|
Na de eerste wereldoorlog ging men motoriseren, een prachtig voorbeeld van zo'n motor is
te zien in het museum het is een kromhout 1 cylinder gloeikop motor met bouwjaar 1928 van 15 EPK met serie nr.254
De motor is besteld op 30-6-1928 door A van Bennekom te Giesendam en opgeleverd 18-7-1928 hij heeft in het schip de "NOOIT GEDACHT" gestaan.
Eigenaar was de heer L Verschoor uit Streefkerk
voor in die tijd een prachtig stuk techniek en het betekende
een grote omwenteling in de visserij, men was niet langer meer afhankeljk van wind en getij, je kon dan gewoon
tegen de wind en tij in varen dat was voor die tijd een ongekend voordeel,
net voor het begin van de 2e wereldoorlog was de kracht van zo'n scheepsmotor opgelopen tot 60 / 80 PK (2 cylinders).
|
 |
Na de 2e wereldoorlog ontstonden betere mogelijkheden, haring kwam in grote getale voor in de zuidelijke Noordzee en de Bressiaanders
brachten samen met de Urkers / Texelaars scheepsladingen vol aan de wal, dat waren ongekend goede tijden.
Er werden nieuwe schepen gebouwd en voorzien van krachtige motoren van zo'n 300 PK halverwege de jaren 60. Vis opsporingsapperatuur
en Decca plaatsbepaling systemem werden aangeschaft hetgeen de viskracht nog vergrootte.
De eerste tekenen van overbevissing werden toen al zichtbaar, de haring verdween uit de zuidelijke Noordzee en daarmee ook de
Urkers en Texelaars uit Breskens.
De Bressiaanse vissers schakelden over op garnalen / platvisvisserij met de boomkor maar dat vergde nog meer PK's, eind
van de jaren 80 werden grote kotters
(40m lengte) gebouwd met motoren van 3000/4000 PK, dat betekende dat de overbevissing (teveel aan viskracht) toenam en met visstand ging het de verkeerde kant op.
Door de overheid (EEG) werden maatregelen genomen (visquota) (aantal vaardagen) om de visstand weer op peil te brengen.
Ook het aantal PK's dat maximaal in een visserboot mag staan is aan banden gelegd (max. 2000 PK ) de weg naar een betere visstand is daarmee ingezet.
Vandaag de dag (2006) komt haring weer in grote getale voor tijdens de wintermaanden in de zuidelijke noordzee.
Doordat de haring direct na aanvoer moet worden diepgevroren is Breskens helaas niet meer
aangewezen als aanvoerhaven, de aanvoer gaat nu voornamelijk via de havens Scheveningen / Oostende.
|
|